leefschool dagpauwoog

Vijf fasen

Onze leefschool baseert haar pedagogie en didactiek op de 5 fasen uit de ontwikkelingspsychologie. Sigmund Freud beschreef als eerste de 5 fasen bij de ontwikkeling van kinderen. Antoine Vossen werkte dit verder uit voor de totale persoonlijkheid. Deze inzichten werden nadien vertaald naar de praktijk van leefscholen. Eerst gebeurde dat in De Buurt in Gent. Carl Medaer verfijnde dit verder voor de leefscholen.

Er komen telkens drie vragen terug.

  1. Hoe ontwikkelt een kind zich?
  2. Wat draagt het daarvan mee in zijn verdere leven?
  3. Wat betekent dat voor het leven op school?

We toetsen hieronder deze 5 fasen aan de methode van onze leefschool. Fase 1 en 2 zijn de basisvoorwaarden voor de 3 volgende fasen.

Fase 1: Een gezellige inrichting: ruimte om te leren en om te leven

Freud noemt dit de ‘oceanische fase’. Daarin wordt het kind onbewust opgenomen in de fysische omgeving. Dat vormt de basis voor zijn verdere ontwikkeling.
Vossen spreekt van ‘integratie’, waarbij de fysische omgeving constant het gedrag beïnvloedt.

Dagpauwoog is een school om in te leven en een school voor het leven.

  1. Kinderen spenderen heel veel tijd op school. Dat doen ze liefst in een omgeving die ze zelf prettig, veilig en uitdagend vinden. Daarom is er in Dagpauwoog zowel binnen als buiten veel speelruimte, met veel hoekjes, variatie en materiaal. Zo kunnen kinderen zich al spelend vrij ontwikkelen.
  2. Aan de grens van de school staat een poort. Daar mogen de kinderen zonder toestemming niet buiten. Maar binnen de grenzen van het schooldomein is er erg veel mogelijk. De kinderen geven zelf mee vorm aan hun omgeving. Ze bouwen kampen en zandkastelen. Ze werken in de moestuin of het reservaat. Ze zorgen voor de dieren en houden mee de speelplaats proper. Ze kunnen overal voetballen, fietsen en ravotten. Ze kunnen zelf hun hoekjes zoeken: een struik, een boom, een speeltuig: een plek waar ze zelf liefst rondhangen. Binnen hebben ze hun eigen leefruimte: groot, gezellig en huiselijk. Er staan zetels en kussens, er zijn verschillende niveaus en prikkelende hoekjes.
  3. Zowel binnen als buiten is er veel ruimte. Er is zoveel plaats, dat ze nooit in elkaars weg lopen. Elk kind krijgt letterlijk de ruimte om er te zijn. De school is een plek waar ze erg graag verblijven. Na school blijven ze vaak hangen, om nog te kunnen spelen.
  4. De buitenruimte van de school weerspiegelt onze sociale visie: onze kinderen horen er thuis. Daarom is de speelplaats niet opgedeeld per leeftijd, de kinderen mogen  er door elkaar spelen, zoals thuis. 

Fase 2: Aandacht voor goede relaties en een goed zelfbeeld

Freud spreekt van de ‘passief orale fase’ wanneer het kind volledig afhankelijk is voor zijn voeding, verzorging en koestering. Die zorg is de basis voor de ontwikkeling van een goed zelfbeeld en de latere opbouw van goede sociale contacten.
Vossen spreekt van ‘receptief zijn’. Een goed zelfbeeld en goede sociale relaties (een wij-gevoel) blijven levenslang noodzakelijk om zich gelukkig te voelen en goed te functioneren.

De kinderen moeten zich goed voelen op school.

  1. Het kind moet zich ook goed voelen bij zichzelf. Een goed zelfbeeld is een waarde voor het leven. Daarnaast is ook het sociaal contact tussen de kinderen onderling erg belangrijk, net zoals het contact van de kinderen met de volwassenen en de ouders. Ook de goede contacten tussen begeleiders en ouders onderling zijn erg belangrijk. Er wordt zo weinig mogelijk gewerkt met straffen en belonen.
  2. De kinderen leren samenwerken. In de leefgroep werken ze samen met kinderen van andere leeftijden. In de kring kan er over alles gepraat worden. Conflicten worden uitgepraat. Schoolafspraken worden samen gemaakt. Op het wekelijkse forum zijn alle kinderen en alle ouders welkom. De begeleiders vormen een team en hebben permanent overleg.
  3. De school biedt een voedingsbodem om te kunnen groeien als persoon.

Fase 3: Mogen kiezen (grijpen)

Freud spreekt van de ‘actief orale fase’. De baby verkent de wereld actief door dingen te grijpen en door zijn omgeving te verkennen.
Vossen spreekt van ‘incorporeren’. De wereld is één groot grijp- en kijkding. Een mens kiest voortdurend zijn activiteiten. Wie vrij kan kiezen, is erg betrokken op wat hij doet. Dat verhoogt de kwaliteit van het leven.

Wie zelf kan zijn activiteiten kan kiezen, schept meer vreugde in het werk. Dat vergroot de betrokkenheid op het leerproces.

  1. Op Dagpauwoog kunnen de kinderen vaak zelf kiezen waar ze mee bezig willen zijn. In de kleuterklas en in de lagere school zijn er keuzehoeken. In de lagere school werken we met rekensprong, woordpaketten en vrije teksten; Daarbij wordt het B.H.V.-model (=Basis, Herhaling en Verdieping) gevolgd.
  2. Voor werkelijkheidsonderricht kiezen de kinderen in groep welk project zij willen uitwerken. Dat begint al in de kleuterschool en loopt heel de lagere school verder.

Fase 4: Leren door ervaren (begrijpen)

Freud spreekt van de ‘anale fase’. Het kind verkent spontaan zijn omgeving, manipuleert ze en bootst ze na.
Vossen spreekt van ‘realiseren en manipuleren’. Elke mens benut zijn eigenheid en vrijheid om vat te krijgen op het leven, om te beslissen en te begrijpen.

“Wat ik hoor, vergeet ik. Wat ik zie, onthoud ik. Wat ik heb gedaan, blijft eeuwig van mij”, zegt een oude zegswijze.

  1. In een leefschool leren de kinderen ‘al doende’. Ze ervaren dingen, gaan zelf op ontdekking, en doen zoveel mogelijk zelf. Ervaring gaat voor op doceren.
  2. Uiteraard wordt er ook les gegeven en krijgen de kinderen uitleg en instructie. Maar dit gebeurt zo weinig mogelijk. Als het door ervaring kan, dan krijgt die methode voorrang.

Fase 5: de eigen school mee maken (ingrijpen)

Freud spreekt van de fallische fase. Het zelfbewustzijn rijpt en van daaruit ontstaat het handelen.
Vossen spreekt van ‘affirmeren en initiatief nemen’. Een mens realiseert zichzelf door zelfbepalend in te grijpen en dingen te ondernemen.

  1. Op Dagpauwoog kunnen de kinderen zelf hun eigen leef- en leeromgeving mee maken. Ze bepalen mee de leefregels op school en in de leefgroep.
  2. De kinderen leren zichzelf evalueren. In hun woordrapport hebben de kinderen hun eigen inbreng.
  3. Tijdens de leerprocessen gaan we op zoek naar de essenties. De kinderen leren ook filosoferen.
  4. Bij conflicthantering worden de kinderen uitgenodigd om mee de oplossing te bedenken en vorm te geven.