Toetsen en testen
Kinderen die naar school gaan, verwerven kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes. De overheid bepaalt welke minimumdoelen de leerlingen op school moeten halen.
- Op het einde van de kleuterklas spreekt men van ‘streefdoelen’.
- In de lagere worden er per graad ‘ontwikkelingsdoelen’ bepaald. Het 1ste en 2de leerjaar vormen samen de eerste graad. Het 3de en 4de leerjaar vormen de tweede graad. En het 5de en 6de leerjaar zijn samen de derde graad. Op de lagere school moeten de ontwikkelingsdoelen via de eindtermen gehaald worden.
Op de website www.ond.vlaanderen.be/dvo/basisonderwijs staan alle ontwikkelingsdoelen en eindtermen op een rij. Elke school heeft de opdracht en verantwoordelijkheid om die doelen te bereiken. Hoe ze dat doen, verschilt van school tot school.
Om de ontwikkeling van de leerlingen te volgen, gebruikt Leefschool Dagpauwoog bij de kleuters het kindvolgsysteem (KVS) en in het lager onderwijs het leerlingvolgsysteem (LVS). Zo kunnen de kinderen optimaal begeleid worden en kunnen leerproblemen tijdig opgespoord worden. U krijgt hier een overzicht hoe dat in zijn werk gaat.
Leefgroep 1
Het kindvolgsysteem (KVS)
Dit systeem helpt de begeleiders om de ontwikkeling van het kleuters te volgen en om hen gepast te begeleiden.
- De begeleiders hebben per kind een invullijst. Daarop noteren ze hun observaties over de ontwikkeling van elk kind. Die notities zijn vertrouwelijk en zijn enkel ter inzage voor wie rechtstreeks betrokken is bij de opvoeding, het onderwijs en de begeleiding van het kind.
- Wanneer er zich bij een kind een probleem voordoet, neemt de begeleider contact met de ouders. Het kind krijgt dan extra aandacht en extra ondersteuning in de klas. Indien nodig wordt er speciale zorg gevraagd aan professionelen of gespecialiseerde diensten. Dit gebeurt enkel na grondig overleg tussen ouders, directie, zorgcoördinator en het CLB.
- Kleuters met problemen worden extra gevolgd. Drie maal per jaar is er een MDO: een ‘multidisciplinair overleg’ met kleuterbegeleidster, zorgcoördinator, CLB en directie.
Stad van Axen
Deze werkvorm bevordert zelfkennis en geeft zicht op de relaties tussen de kinderen en de begeleidsters. De methode komt van Nand Cuvelier, psycholoog en stichter van de Relatiestudio in Gent. Eerst gebruikte hij het voor de bevordering van zelfkennis bij volwassenen. Later gebruikte hij dierensymbolen, zodat ook kinderen het konden gebruiken. In leefgroep 1 wordt regelmatig met de Axenroos gewerkt, vooral bij conflicten tussen kinderen onderling en wanneer de regels van de leefgroep of de school worden overtreden. De kinderen leren hun gedrag en dat van elkaar evalueren.
Taalproblemen?
Wanneer de begeleidster bij een kleuter een opvallend spraak- of taalprobleem opmerkt, vraagt zij extra observatie aan de zorgcoördinator. Die is logopediste, en geeft indien nodig schriftelijk advies en tips aan de begeleiders en de ouders.
Schoolrijp?
In de derde kleuterklas wordt getest of de kleuters schoolrijp zijn.
- Voor elke kerstvakantie is er een infoavond voor de ouders. Zij krijgen informatie over de Toetertest, die de schoolrijpheid meet. Deze info-avond wordt gegeven door de kleuterleidsters in samenwerking met het CLB.
- In februari nemen de begeleidster en de zorgcoördinator de Toertertest af. Als die test positief uitvalt, kan de kleuter de overstap naar het eerste leerjaar vlot maken.
- Soms zijn er na de Toetertest nog twijfels. Dan wordt het kind in de maand mei opnieuw getest met de Segertest. Deze test wordt afgenomen door de psychologe van het CLB. Als er voldoende evolutie is, kan het kind toch de overstap naar het eerste leerjaar maken.
Het resultaat van deze testen wordt met de ouders besproken, samen met de kleuterbegeleidster, zorgcoördinator, CLB medewerker en directie.
Lager onderwijs: Leefgroepen 2 en 3
De begeleiders houden van elke leerling bij hoe hij evolueert. Dat gebeurt via observatie, toetsen, individuele opdrachten, gesprekken in de klas en het Leerlingvolgsysteem
LVS wiskunde en spelling
Van het eerste tot het zesde leerjaar krijgen de leerlingen een toets in het begin, het midden en op het einde van het schooljaar. De begeleiders nemen die af. Aan de hand van de genormeerde toetsenbundel van de VCLB (Vrije Centra voor Leerlingbegeleiding) wordt per leerling duidelijk hoeveel hij bijgeleerd heeft.
AVI-leesniveau
Kinderen beginnen te lezen op AVI niveau 1. Wie vlot leest, haalt AVI 9. De kinderen krijgen in de klas en het Pluishuis lectuur op hun niveau.
Vanaf het eerste leerjaar wordt het AVI-niveau van de leerlingen regelmatig getoetst. De zorgcoördinator neemt deze testen twee maal per schooljaar af: in het eerste leerjaar in de maanden maart en juni, vanaf het tweede leerjaar in de maanden oktober en maart.
Toetsen
De leerlingen krijgen in de leefgroep regelmatig een toets over een deel van de leerstof. Na elke rekensprong bijvoorbeeld, volgt een toets. Of in leefgroep 3 na enkele hoofdstukken Frans. Zo krijgt de begeleidster een beeld van de vorderingen van het kind. Zo maakt het kind bovendien kennis met de manier van evalueren in het secundair onderwijs.
Bijsturen
De begeleiders volgen het hele schooljaar aandachtig hoe de kinderen leren, evolueren en zich gedragen. Met enkele objectieve toetsen en vragenlijsten trachten zij dat ook te meten en te registreren. De bedoeling is om alle kinderen zo goed mogelijk te begeleiden, en te vermijden dat ze ‘achterblijven’.
- Indien nodig, krijgt de leerling extra begeleiding om tekorten te remediëren. Als er problemen zijn, tracht in eerste instantie de begeleidster te helpen. Zij kan ook beroep doen op de zorgcoördinator om knelpunten te bespreken en een plan van aanpak op te stellen.
- Wanneer er zich bij een kind een probleem voordoet, neemt de begeleider contact met de ouders. Dat kan rechtstreeks, op het oudercontact of via het rapport. Het kind krijgt dan extra aandacht en extra ondersteuning in de klas.
- Kinderen met problemen worden extra gevolgd. Drie maal per jaar is er een MDO: een ‘multidisciplinair overleg’ met begeleidster, zorgcoördinator, CLB en directie.
- Sommige leerlingen krijgen een ‘individueel handelingsplan’ (IHP). Daarin wordt een specifieke leerlijn uitgestippeld, volgens de noden van die leerling.
- Sommige kinderen hebben een specifieke leerstoornis. Daar worden dan afspraken over gemaakt. Bij een kind met dyslexie bijvoorbeeld, past de school ‘StiCorDimaatregelen’ toe (Stimulerende, Coördinerende en Dispenserende maatregelen). De leerling krijgt dan een contract met afspraken. Hij mag dan bijvoorbeeld bij een schriftelijke toets ook mondelinge toelichting geven, hij mag zijn vrije teksten op de computer maken, enzovoort.
Rapporten
Woordrapporten
Drie keer per schooljaar krijg elk kind in elke leefgroep een rapport over de vorderingen op vlak van taal, wiskunde en lichamelijke opvoeding. Het is géén rapport met punten, wel een ‘woordrapport’ met toelichting. Het rapport beschrijft wat het kind al kan, en waar het nog kan aan werken. In het lager onderwijs maken ook de begeleiders godsdienst/zedenleer een woordrapportje.
Sociale rapporten
Het mens- en maatschappijbeeld van Leefschool Dagpauwoog besteedt veel aandacht aan het sociale. Twee keer per jaar maakt de begeleidster een sociaal woordrapport, en bespreekt dat individueel met het kind. Dat mag ook zijn eigen mening geven. Ook de ouders worden uitgenodigd om het samen te bespreken.
Het sociale woordrapport volgt de vijf fasen van de leefschool.
Per vraag zijn er drie antwoorden mogelijk:
- ja, akkoord met de stelling
- soms van toepassing
- neen, niet akkoord met de stelling
Hieronder krijgt u de uitgewerkte voorbeelden van het woordrapport van de kleuters, en dat van het lager onderwijs.
Sociaal woordrapport Kleuters |
|
Fase 1: geborgenheid en veiligheid De groep, de school, de speelplaats: hoe voelt je kind er zich bij? - Voelt zich thuis in de school. - Voelt zich thuis bij vaste kinderen in de groep. - Geniet van het alleen spelen. - Kan de begeleiders lossen en toch functioneren. - Kan afscheid nemen van de ouders. Hoe staat het kind tegenover andere kinderen en volwassenen? - Houdt zich in de school aan de omgangsvormen, leefregels en afspraken. - Houdt zich in de leefgroep aan de omgangsvormen, leefregels en afspraken. - Kan andere kinderen op een aanvaardbare manier attent maken op omgangsvormen, leefregels en afspraken. Fase 2: de sociale fase – het wij-gevoel - Biedt graag hulp aan andere en draagt zorg voor hen. - Toont bereidheid tot het zoeken naar oplossingen bij conflictsituaties. - Kan luisteren naar anderen. - Leidt de kring graag. Fase 3: het kiezen (hoekenwerk) - Toont interesse en kan bewust een keuze maken uit het aanbod. - Wisselt voortdurend van hoekje en vlindert steeds. - Kiest een hoekje in functie van zijn of haar interesses en niet in functie van de vriendjes. - Kiest veel voor dezelfde hoekjes. |
Sociaal woordrapport Leefgroep 2 en 3 |
|
Fase 1: geborgenheid en veiligheid De groep, de school, de speelplaats: hoe voelt je kind er zich bij? - Voelt zich thuis in de school. - Voelt zich thuis in de leefgroep. - Voelt zich thuis bij vaste kinderen in de groep. - Voelt zich thuis bij de meeste kinderen van de groep / de school. - Blijft in de omgeving van de begeleiders. - Is vaak alleen. Fase 2: de sociale fase – het wij-gevoel - Houdt zich aan de afspraken van de leefgroep. - Kan andere kinderen op een aanvaardbare manier attent maken op omgangsvormen, leefregels en afspraken. - Biedt graag hulp aan andere. - Toont bereidheid tot het zoeken naar oplossingen bij conflictsituaties. - Kan luisteren naar anderen. - Kan omgaan met kritiek. - Kan voor zichzelf opkomen. - Houdt zich aan de afspraken van het kinderparlement. Fase 3 en 4: het kiezen en de projecten - Wisselt voortdurend van mening, vlindert steeds. - Maakt keuzes in functie van zijn of haar vrienden. - Toont interesse en kan bewust een keuze maken voor zichzelf. Het project - Onderwerpen aanbrengen. - Neemt initiatief. - Informatie opzoeken en selecteren. - Materiaal verzamelen. - Vragen en doelstellingen verwoorden. - Werken in groep. - Individueel werken. - Informatie kunnen verwerken. - Leren ivm leerinhouden. - Een samenvatting of tekst leren schrijven. - Betrokken tijdens het projectwerk. Werkhouding - Bekijkt en leest de opdrachten grondig. - Denkt na voor het antwoord te schrijven. - Let tijdens instructies op. - Vraagt uitleg wanneer het niet begrepen is. - Gebruikt de werktijd goed en laat zich niet afleiden. - Kan werk goed plannen en houdt zich eraan. - Kan zelfstandig werken. - Werkt met orde en zorg. - Werkt actief mee. - Doet zijn best voor opdrachten die hij/zij niet graag doet. - Kan zijn gedachten verwoorden bij het oplossen van een oefening. - Verliest snel de moed om verder te werken. - Blijft werken aan een taak tot ze af is. - Helpt andere met contracten. Fase 5: het ingrijpen, initiatief nemen en evalueren - Kan werkhouding evalueren. - Kan gedrag evalueren. - Kan het groepsgebeuren evalueren. - Kan het eindresultaat van het project evalueren. |